Voor de grote zaal, naast de boekenkraampjes, tussen alle posters en stickers die hen nog urenlang 'De nacht is een beschilderde slaap' in zullen prenten, staat het publiek in de Stadsschouwburg in Utrecht verdwaasd te bladeren in de uitgedeelde poëziebundels. Ze kunnen van elke dichter één gedicht lezen, maar weten nog steeds niet wie er nu wanneer optreedt. Als de gong gaat en iedereen stroomt de Grote Zaal in, wat gaat er dan gebeuren? 'Laat je verrassen,' zegt iemand en een ander vraagt: 'Duurt het zes uur?!'
Presentatoren Ingmar Heytze en Jeroen van Merwijk leggen het allemaal rustig even uit. Het programma is alleen bij hen bekend, en dat moet zo blijven, om te voorkomen dat alleen de populaire dichters een volle zaal trekken. 'Blijft u nou maar gewoon tot drie uur vannacht zitten, dan mist u niets. Ja, het wordt een lange, zware nacht, het is voor niemand leuk, vooral voor de dichters niet, maar als u nu gewoon de drie s-en in het hoofd houdt (solidariteit, stilte en saamhorigheid), komt het allemaal goed.'
Halve zinnen
Maarten Das opent de avond. Hij beweegt met de overtuiging van een jonge dichter, maar zijn poëzie is conventioneler en danst niet zo gemakkelijk. Een wat teleurstellend begin van wat nu al een lange avond voelt – iemand in het publiek vraagt wanneer het pauze is – maar gelukkig komt dan het gegarandeerde succesnummer Judith Herzberg op. 'Ik bedacht,' zegt ze, 'dat men vaak na de eerste helft van een zin al weet waar het verhaal naartoe gaat. Dus heb ik eenendertig halve zinnen geschreven. Ik wilde er eigenlijk tweeëndertig doen, maar het ging gewoon niet meer.' Ze begint.
Wat voor publiek komt er nu naar Utrecht om zeven uur lang naar poëzie te luisteren? Veelal oudere mensen (de verslaggever haalt de gemiddelde leeftijd drastisch omlaag) die er gegoed en gelukkig uit zien, die gretig appeltaart met slagroom bestellen en schateren om elke halve zin die Herzberg opleest, hoewel het eigenlijk helemaal niet om te lachen is. Het publiek is nog niet klaar voor ernstige regels als 'Je zegt dat ik je pijn niet mee kan voelen, je wijst me, hier –' en lacht zijn ongemak weg.
Een miniatuurfestival
Intussen is er op de bovenverdieping, in de Blauwe Zaal, een gratis toegankelijke poetry slam gaande. Kila & Babsie, het duo dat zo op elkaar ingespeeld is dat ze elkaars zinnen afmaken, elkaars gedachten lezen en even hard kunnen schreeuwen, neemt het daar op tegen Bernhard Christiansen, de nationale slamkampioen van 2007. De gevatte teksten van de uitbundige meisjes steken scherp af tegen de zachte kwetsbaarheid van Christiansen. Waar het duidelijk is dat Kila & Babsie veel hebben geoefend, wekt hij sterk de indruk elk gedicht terplekke te verzinnen.
Voor de bezoeker die onbekend is met de Stadsschouwburg is het nu en dan een beetje zoeken; trap op, trap af, hoeken om en nieuwe gangen in – maar deze speurtochten leiden wel langs allerlei klein vermaak. Je kunt je een gedicht laten influisteren, spiesen met geroosterde ananas eten, tassen vol bundels en tijdschriften kopen op de boekenmarkt of onderuit zakken in de literaire lounge. Niemand herinnerd zich nog de Jeroen van Merwijk die hen op het hart drukte: 'Als je hier blijft zitten, mis je niets' – of men begrijpt juist dat er meer te missen valt dan alleen een dichter hier en daar en beleeft de avond als een miniatuurfestival.
Portie poëten
Gelukkig maar, want zo is iedereen elk uur weer klaar voor een nieuwe portie poëten. Zoals Peter Swanborn, die herkenbare gedichten voorleest uit een bundel over zijn dementerende moeder, of Eva Cox, die met haar fiere Vlaamse stem knap gevonden varianten op Rilke en Dickinson ten gehore brengt. Het zijn deze dichters die de nacht dragen: zij blijven ons niet bij als hoogtepunten, maar laten de uren op aangename wijze verstrijken. In tegenstelling tot bekendere dichters, die vooral willen benadrukken dat ze bekendere dichters zijn.
'In de Vredenburg werd na elk gedicht geapplaudisseerd!' zegt Menno Wigman, 'maar ik weet wel dat jullie het mooi vinden, hoor.' Of Joost Zwagerman, die niet zozeer voordraagt, maar een boekbespreking houdt: 'Dit boek heb ik gemaakt met werk van mijn vrienden, Marlene Dumas, Rineke Dijkstra, Erwin Olaf…' Hun optreden staat in sterk contrast met de echt gevestigde dichter Rutger Kopland die in alle rust zijn werk voorleest en alle aandacht krijgt zonder erom te moeten roepen.
Een grote verscheidenheid aan dichters, zoveel is duidelijk, maar de organisatie heeft ook wat luchtige intermezzo's bedacht in de vorm van muziek; we horen onder andere Schradinova, Nieuw Trombone Collectief en Nueva Manteca, maar de meest interessante act wordt pas om half twee het podium op gelaten: Moss. Zij weten een half lege, ingedommelde zaal wakker te duwen met hun meeslepend mooie rocknummers. Een bejaarde man op de eerste rij kijkt met een dolgelukkige grijns het podium op en fluit zelfs op zijn vingers tijdens het applaus. Het is geen muziek om onderuit gezakt naar te luisteren, maar ondanks het nerveuze gewip en getrommel op de schoot maakt niemand echt aanstalten om van Grote Zaal een dansvloer te maken.
Kleine namen, grote beloften
De laatste twee dichters zijn de nieuwste namen: de eerder genoemde Bernhard Christiansen, die vooraf actief is in het slamcircuit, en Lieke Marsman, een jonge dichteres wier debuut in november uitkomt. Bernhard zet zijn trofee, een goud gespoten plastic dolfijn, triomfantelijk op de katheder en begint een wel heel toepasselijk gedicht: 'Ik ben vandaag het elfde toetje / u bent allang verzadigd / u zit daar nog het is half drie geweest / u bent beleefd'. Het wordt al snel duidelijk dat Christiansen, in tegenstelling tot zijn eigen overtuiging, wel degelijk pure poëzie maakt. Maar het is inderdaad al half drie geweest en niemand heeft nog de energie echt enthousiasme te tonen.
Het publiek dat om acht uur die avond nog uitgelaten om alles lachte, grinnikt nu zachtjes als Lieke Marsman toegeeft dat ze het advies van Rutger Kopland om niet te drinken voor je voordracht in de wind heeft geslagen. In een rap tempo rolt ze door haar gedichten heen waardoor het soms wat lastig is door de vele beeldspraak heen te luisteren. Ze weet echter wel degelijk wat ze doet en waarom; 'omdat mensen niet onder mijn tong / blijven liggen omdat je gedichten stil / kunt laten staan als een luisterend oor / tegen je schokkende borstkas'. 'Lieke Marsman', zegt Ingmar Heytze, 'onthoud die naam.'
De mensen die met de nachttrein terug reizen hebben nog uren te gaan voor ze hun bed in duiken, maar daar denken ze nog niet aan. Ze staan buiten voor de ingang te roken en afscheid te nemen. De een verzucht: 'Wat duurde dat lang hè?' en de ander knikt: 'Ja, maar het was wel mooi.'