8weekly.nl

 

recensie: Tsjaikovsky - Symfonieeën 4, 5 & 6

Grote Namen en het begin van het einde voor een platenlabel

door
15 oktober 2003

Het was ergens in 1943, in het neutrale Zweden. Een muzikaal festival, orkesten uit zowel Engeland, de Verenigde Staten als Duitsland. Een unieke gebeurtenis, waarbij muzikale coryfeeën als Malcolm Sargent, Adrian Boult, Thomas Beecham en zo nog wat anderen probeerden de oorlog voor een moment te doen vergeten. Sargent, een zachtaardige man van het type dat je alleen in Evelyn Waugh-romans lijkt tegen te komen, werd na een succesvolle uitvoering van Mahlers eerste symfonie benaderd door een Duitse collega die hem toesiste dat hij op een vuurpeloton kon rekenen als Hitler Londen had veroverd. Uit de hoge hoed van John le Carré? Nee, een glimpje op het allerschattigste karakter van Herbert von Karajan (1908-1989).

Objectiviteit is natuurlijk een mythe - je doet je best om iets min of meer afgewogen te beoordelen, maar elk verhaal is ongewild een afspiegeling van je eigen vooroordelen. Soms kijk je over de tekortkomingen van een favoriete schrijver, acteur of musicus heen, op andere tijden zet je de negatieve kanten nog eens aan van iemand waar je toch al een bloedhekel aan hebt. Elk woord van Harry Mulisch bevestigd zijn imago van arrogante eigengeiler, Michael Schumacher heeft nog nooit een overwinning gehaald zonder een achterbakse streek en natúúrlijk is Bassie schuldig aan belastingfraude.

Ellebogen
O ja, en Herbert von Karajan is de meest perfide artiest die ooit de het woord 'musicus' heeft mogen bezoedelen. Zal ik even opsommen? Karajan was HEEL fout in de oorlog. Hij probeerde daarna waar hij kon anderen uit belangrijke posities te ellebogen met geoorloofde maar heel vaak ook ongeoorloofde middelen. Hij gaf het begrip egomanie een heel nieuwe betekenis - zo stond hij erop om filmopnamen van zijn uitvoeringen zelf te regisseren zodat hij er zeker van was dat hij minstens de helft van de tijd in beeld zou zijn. En dan is er nog die allesverterende zelfingenomenheid die je ook hier weer tegenkomt: Karajan in Rusland. Net zoals die hoes met Karajan geleund tegen de neus van Zijn Vliegtuig en de Karajan-editie, getooid met Janneke Brinkman-achtige waterverfjes van mevrouw Karajan, die naar de foto te oordelen ooit begonnen moet zijn als minstens veertig jaar jongere secretaresse. Het wordt allemaal net iets te veel.

Acht keer Wagner
Maar het allerergste is wel dat Karajan zo'n beetje in zijn eentje verantwoordelijk is geweest voor de volslagen belachelijke cultus die van dirigenten sterren heeft gemaakt. Een status waar platenlabels dankbaar van hebben geprofiteerd overigens, en die zeer ten koste is gegaan van de rijkheid van het orkestrepertoire. Steeds minder dirigenten toerden rond bij talloze orkesten met een heel klein arsenaal aan werken - waar een 'ster' als Hans Richter aan het einde van de negentiende eeuw elk seizoen nog een groot aantal nieuwe stukken instudeerde, stelden dirigenten van de generatie van Karajan zich tevreden met een overanderlijk, ijzeren repertoire. In die tijd werd het ook normaal dat dezelfde dirigent vijf keer een Beethoven-cyclus opnam of achtmaal Wagners opera's integraal mocht uitbrengen. Daar komt de laatste tijd goddank een beetje kentering is, maar het heeft de klassieke muziek als creatieve kunstvorm onnoemelijke schade toegebracht.

Dus voor mij is het wat lastig om een opname van Herbert von Karajan ook maar enigszins neutraal te beluisteren. Maar soms wordt je door het noodlot een handje geholpen - deze heruitgave van DG stinkt aan alle kanten, zelfs als je Karajans charmante persoonlijkheid erbij wegdenkt. De constatering dat Von Karajan buitengewoon weinig voeling lijkt te hebben met Russische muziek is nauwelijks nieuw en ik ben ook allerminst de eerste die hem maakt, maar de puinhopen die verschijnen uit Pjotr Iljitsj Tsjaikovski's laatste drie symfonieeën zijn zelfs voor zijn doen wel uniek.

Versies
Mravinski met ShostakovichTsjaikovski's laatste drie symfonieën goed brengen is verdomd moeilijk: de interpretatie waaraan nog steeds alle andere getoetst dienen te worden is die van Jevgeni Mravinski met het Leningrads Filharmonisch Orkest, maar die is inmiddels toch ook alweer een dikke veertig jaar oud. Ik wil niets afdoen aan de verder uitstekende prestaties van Janssons (Chandos) of Pletnev (ook DG), maar dezelfde klasse halen ze toch niet helemaal. Ze zijn echter nog altijd mijlen verheven boven de trage, ongeïnspireerde (van zowel orkest als dirigent) en onverschillige versies die Karajan meende te moeten maken. Hij zal ongetwijfeld geweldige Wagners, Brahmsen en Beethovens hebben neergezet, maar van Tsjaikovski moet hij afblijven en als iemand dat duidelijk maakt is hijzelf het hier wel. Wat is de motivatie van DG om ze dan opnieuw uit te brengen? Karajans naam, neem ik aan. Ik kan echt niet verzinnen wat het anders moet zijn.

De opnamen zijn net iets jonger dan die van Mravinski. Maar waar Mravinski over bijvoorbeeld het tweede deel van symfonie nummer vijf 12 minuten doet, heeft Karajan daar ruim 15 voor nodig. Tsjaikovski schuwt het sentiment toch al niet, en juist daarom is het zo belangrijk om hem 'droog' te spelen, zonder veel toeters en bellen. Vergelijk het laatste deel van de vierde maar eens bij Mravinski en Karajan - bij de eerste spat het con fuoco er van af, bij de laatste wordt het vuur al snel gedoofd. Elders zijn de verschillen minder extreem, maar het is wel tekenend voor de ongeïnteresseerdheid van Karajan: hij heeft geen zin in deze stukken, heeft er ook geen gevoel voor, maar de naam op zich rechtvaardigt blijkbaar deze heruitgave.

Weg avontuur
Daarmee geeft deze heruitgave nieuwe voeding aan mijn toch al niet geringe twijfels over de huidige koers van de grote labels in het algemeen en die van Deutsche Grammophon in het bijzonder. Nu stond het toch al nooit bekend als buitengewoon vooruitstrevend of innovatief (zowel in oud als nieuw repertoire), maar de laatste tijd heeft DG wel heel erg veel aan avontuurlijkheid ingeboet. De recente Miaskovsky-uitgave onder Järvi was een welkome uitzondering, maar afgezien daarvan hebben we weinig originele dingen van het label mogen horen. Het is vooral meer van hetzelfde: weer een stel Bach-partita's, weer een Symphonie Fantastique of Turandot, waarvan we er al minstens vijftig hebben. En waarvan DG vindt dat we er nog eens twintig meer in heruitgaves nodig hebben. Nog steeds wordt er sterk geteerd op grote namen: Mutter, Von Otter, Abbado, Karajan. Maar dat gebeurt zonder dat er ook maar de geringste investering in de toekomst wordt gedaan.

Eerlijk gezegd maakt het me uiteindelijk maar heel weinig uit of een stuk wordt gedirigeerd door Bernard Haitink of Siebe van der Ploeg - het is de muziek die je moet grijpen, niet de zogenaamd Grote Naam die toevallig het voorrecht is gegund om voor het orkest te mogen staan. Grote labels gaan naar het lijkt steeds meer voor de Sterren, voor -steeds minder- verzekerde 'return on investment' van een bijzonder smal repertoire. Het overzicht van releases voor de komende maanden ziet er niet veel rooskleuriger uit en een paar afgezaagde en nogal geforceerde crossover-pogingen zullen daar weinig aan veranderen. Naxos, Hyperion en Chandos hebben bewezen dat het zowel artistiek als economisch kan lonen verder te kijken dan ijzeren repertoire of sterrenstatus: als DG, EMI en Philips willen overleven - al is het maar artistiek- zullen ze dat ook moeten doen.







 CD
Symfonieeën 4, 5 & 6
Tsjaikovsky
Jaar: 2003
Platenmaatschappij: Deutsche Grammophon 474 284-2 (2 CD's)

 ADVERTENTIE

 ZOEKEN
Alle artikelen 8WEEKLY:

 ADVERTENTIE