Wielrennen is geen sport. Het is een sportieve leniging van de nood naar altijd weer nieuwe verhalen. Wielrennen is literatuur. Arthur van den Boogaard bevond zich twee jaar lang in de slipstroom van al dat moois.
Slipstroom, zo heet het 31e nummer van literair wielertijdschrift De Muur. Een special, zoals de redactie eerder de top van wielerschrijvend Nederland (Erik Brouwer, Marije Randewijk, Nando Boers, Bart Jungmann en, postuum, aartsvader Joris van den Bergh) bereid vond om een compleet nummer te vullen. Het langverwachte werk over het gelukkige huwelijk tussen wielrennen en literatuur is een neerslag van intensief onderzoek. Arthur van den Boogaard – met zijn ervaring als sportboekenrecensent (één per week, al vele jaren lang) van Het Parool de ideale man om als geschiedschrijver van dat huwelijk te dienen – verdiepte zich in talloze werken uit de wereldliteratuur. Conclusie: het aangezicht van de wereldliteratuur had er heel anders uitgezien zonder het bestaan van de fiets.
Wikken en beschikken
Slipstroom beslaat een eeuw. Vanaf het ontstaan van het woord 'fiets' meandert het verhaal chronologisch door honderd jaar wereldliteratuur, via Frans Netscher en H.G. Wells, dichters Henry Miller en Alfred Jarry naar journalist Henri Desgrange (bedenker van de Tour de France, om meer kranten aan de man te brengen). Tussendoor reflecteert Van den Boogaard op zijn taak, en laat de lezer meegenieten van zijn afwegingen tijdens het schrijven.
Het kan niet anders of de auteur heeft zich door een rijstebrijberg van literatuur heen moeten eten. Van den Boogaard heeft gewikt en beschikt, met als voornaamste criterium zijn eigen voorkeur en expertise. Zo kan het gebeuren dat een hoofdstuk over de Tour-artikelen in De Tijd van de hand van journalist Koos de Boer tussen stukken over de Duitse cultschrijver Uwe Johnson en de Deense homo universalis Jorgen Leth staat.
Een literaire sport
Deze eclectische werkwijze werkt uitstekend: de beschrijving (en in sommige gevallen ontdekking) van wielerpassies van fameuze auteurs (Hemingway, García Márquez, Malaparte, Perec, Streuvels) wordt afgewisseld met interviews met schrijvers van belangrijke wielerboeken (ex-renner Paul Kimmage en Volkskrant-columnist en Muur-redacteur Bert Wagendorp) en jonge wielerschrijvers (Thijs Zonneveld). Het allerleukst zijn misschien nog wel de literaire ontdekkingen die Van den Boogaard doet: zijn aanstekelijke enthousiasme doet vermoeden dat je nogal wat hebt gemist als je nog nooit iets gelezen hebt van Enrico Brizzi, Paul Morand, William Saroyan, Bruno Schulz en Anna Maria Ortese. Zij hadden zich geen betere reclame kunnen wensen dan een vermelding in Slipstroom.
In het afsluitende hoofdstuk – meer een toegift eigenlijk – beschrijft Van den Boogaard een wielerritje door de polders in het voorjaar van 2010. Er zijn vier deelnemers: Van den Boogaard zelf, Gerbrand Bakker, Tim Krabbé en John Coetzee. Kijk naar de foto van de Nobelprijswinnaar in zijn wieleroutfit en weet: dit is een literaire sport.
De renner als Bijbel
In de inleiding van Van den Boogaards vorige sportliteraire krachtproef Sport, de 141 beste Nederlandse en Vlaamse sportverhalen van 1945 tot nu, schreef hij al over de allesbepalende rol van De renner in de emancipatie van sportliteratuur. Er is een tijd vóór De renner en een tijd na De renner. Logisch dus dat de auteur alle ruimte geeft aan schrijver Tim Krabbé, om de wordingsgeschiedenis van zijn roman en tal van anekdotes ín die roman uit de doeken te doen.
De invloed van Krabbés wielerroman is nauwelijks te overschatten, getuige ook de ontboezeming van Zonneveld, die in vrije uurtjes altijd even een stukje in De renner leest. 'Het klinkt gek, maar ik herken mezelf in mensen die zeggen dagelijks in de Bijbel of de Koran te lezen.' Een wielerroman als heilig boek, daarmee is de these van Van den Boogaard wel afdoende bevestigd. Wielrennen en literatuur zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden. Wie zich ook in de toekomst nog aan een nieuwe geschiedschrijving van die liefde waagt, hij zal niet om Slipstroom heen kunnen.