Boeken / Non-fictie

Curieuze liefdesgeschiedenis in twee bedrijven

recensie: Liefdesbrieven 1920/1929-1932

De geschiedenis heeft vele onsterfelijke liefdes opgeleverd. Wie kent niet het tragische lot van het innig verliefde paar uit de middeleeuwen, Abelard en Heloise. Terwijl hij op gewelddadige wijze van zijn testikels werd beroofd, trok zij zich terug in een nonnenklooster. Of wie heeft er nog nooit gehoord van de evenzeer tot de verbeelding sprekende, maar uiterste kortstondige verloving van Søren Kierkegaard en Regine Olsen, die de grote deense filosoof voor de rest van zijn leven de inspiratie zou geven voor zijn omvangrijke oeuvre. Een minder bekende, maar eveneens curieuze en intrigerende liefdesgeschiedenis vond plaats tussen de beroemde Portugese dichter Fernando Pessoa (1888-1935) en de jonge, ontluikende vrouw Ofélia Queiroz (1900-1986).

In tegenstelling tot hun beroemde voorgangers, die door de liefde tot schitterend proza werden geïnspireerd, is het taalgebruik in de brieven van Pessoa en Queiroz van een haast infantiel niveau. Deze degradatie van de taal maakt hun ‘verkering’ minstens zo intrigerend, zoals het diepzinnige proza de geschiedenis van hun voorgangers zo fascinerend maakte. Hoe kan het dat een dichter als Pessoa, die over het algemeen toch tot de grootste dichters van Europa gerekend wordt, zich zo triviaal uitdrukt als hij een brief aan zijn geliefde schrijft? Op deze vraag is geen eenduidig antwoord mogelijk en dat maakt de briefwisseling tot een interessante puzzel die op verschillende manieren gelegd kan worden.

Strenge zeden

Fernando Pessoa is een van de meest eigenzinnige dichters die het westelijk halfrond heeft voortgebracht. Hij maakte gebruik van talloze heteroniemen, waarvan er verschillende (zoals Bernardo Soares en Álvaro de Campos) in de briefwisseling opduiken. Ofélia Queiroz was het enige personeelslid van de weinig succesvolle onderneming van een neef van Fernando waar zij hem ook voor het eerst ontmoette. Ze werden verliefd, maar door de strenge zeden van die tijd konden ze elkaar nauwelijks ontmoeten en stonden ze vooral via brieven met elkaar in contact. Hun briefwisseling is nu voor het eerst volledig in het Nederlands vertaald. De Nederlandse uitgave is opgedeeld in twee delen. Ze omvat allereerst de brieven uit 1920, in welk jaar Fernando uitzonderlijk genoeg alleen aan Ofélia schreef. Daarnaast omvat ze de brieven die Fernando en Ofélia met elkaar uitwisselden tussen 1929-1932 en die vooral bestaan uit de brieven van Ofélia. Naast de brieven is ook de biografische notitie Fernando en ikopgenomen, geschreven door Ofélia.

Een spel?

Vanaf het begin van de briefwisseling is er in de toon van de brieven van Pessoa een dubbelzinnigheid aanwezig. Aan de ene kant geeft hij blijk van zijn niet aflatende liefde, aan de andere kant weet hij telkens op een fijnzinnige wijze een dissonant aan te brengen die zijn liefdesuitingen weer ondermijnen. De ene keer doet hij dit door Ofélia te verwijten dat ze niet van hem houdt, een andere keer door haar familie van onheuse praktijken te beschuldigen, nog weer een andere keer door allerlei ziektes ten tonele te voeren. Speelde Fernando hier een spel met een onschuldig meisje, zoals Ofélia hem in een van haar brieven verwijt? Of speelde hij een spel met zichzelf waarvan Ofélia slechts het betekenisloze centrum vormde? Of speelt Fernando helemaal geen spel, maar is hij het slachtoffer van zijn eigen heteronieme gespletenheid?

Usjes

Het hangt mede van het antwoord op deze vragen af hoe de trivialiteit van de briefwisseling geduid moet worden. Zeker is in ieder geval dat niet alleen de onderwerpen van de brieven vrij alledaags zijn, maar dat ook de taal van de brieven allerminst poëtisch is. Fernando schrijft bijvoorbeeld:

Ikke serijf alleen maar om je te zegge dattik je kaatje heel leuk vond. O! Enne ikke vond het ook jammer dattik niet bij Baby’tje was om Baby’tje usjes te geven. […] Usjes, usjes en nommeer usjes. Fernando.

Het is onduidelijk wie er begonnen is met dit infantiele gebrabbel. Ofélia gebruikt het vaker dan Fernando, maar aan de andere kant maken de brieven duidelijk dat Fernando haar al van het begin af aan Baby noemde en bekend stond vanwege zijn malle en onvoorspelbare gedrag. Hoogstwaarschijnlijk is het dus een wisselwerking geweest, die verhevigde naar mate de vertrouwelijkheid tussen hen groter werd. Het feit dat Ofélia nog maar negentien was heeft er vermoedelijk niets mee te maken, aangezien ook de tweede fase van de briefwisseling, toen Ofélia negen jaar ouder was, vol staat met het brabbeltaaltje.

Mysterie

August Willemsen oppert in zijn boeiende nawoord dat Pessoa de hele liefdesgeschiedenis mogelijk slechts zag als het avontuur van een van zijn heteroniemen. Een avontuur dat hij zorgvuldig voor het nageslacht orchestreerde, om het mysterie rondom zijn persoon nog groter te maken. De Fernando Pessoa uit de briefwisseling zou dan het heteroniem van de trivialiteit zijn. Of Willemsen gelijk heeft moet de lezer zelf maar uitmaken, feit is in ieder geval dat deze brieven een intrigerende, tweedelige episode toevoegen aan Pessoa’s toch al zo ondoorgrondelijke levensgeschiedenis. Wie deze brieven leest, wordt niet met een hapklare biografie opgezadeld maar ziet zich voor de taak gesteld het doen en laten van de geliefden zelf een plaats te geven. Het gebrek aan literaire kwaliteit van de brieven, wordt daarbij ruimschoots goedgemaakt door de vele vragen die ze oproepen.